Wie of wat is ZooTr@ack ?

Home     Tekeningen     Onderzoeksplan    Grafieken    Tabellen     Mondelinge presentatie     PowerPoint-presentatie    

Verslagen     Mindmaps     Meerkeuzevragen maken     Een examentoets maken


SET’s – Examentoetsen, hoe moet je ze maken?

http://www.ikleerinbeelden.nl/wordpress/wp-content/uploads/toets-maken-strip.jpg

 1  Open vragen:
  Lees de titel van de vraag en bekijk de afbeeldingen als die erbij zitten eerst eens globaal.
  Lees de tekst van de vraag dan goed door en bedenk waar het over gaat.
 Ga beter naar de afbeeldingen kijken (plaatje, tabel, grafiek, etc.) en probeer het verband te leggen tussen wat je gelezen hebt en de afbeelding.
 Bedenk wat je zelf allemaal al weet over de informatie uit de vraag.
 
 2  Een antwoord formuleren:
 Bedenk eerst wat het antwoord zou kunnen zijn door aan allerlei steekwoorden die met de leerstof te maken hebben te denken.
 Kijk wat er van je gevraagd wordt. Is dat uitleg voor 2 punten? Is dat iets benoemen? Is dat iets uitrekenen?
 Vraag jezelf af of er ook andere antwoorden op die vraag gegeven kunnen worden.
 Kies dan het beste antwoord en schrijf dat op in begrijpelijk Nederlands.
 

 3  Controleer je antwoord:
 Kijk of je voldaan hebt aan de vraagstelling. Moest er een uitleg bij?
 Gebruik zoveel woorden als nodig is, zeker niet te weinig.
 Voorbeelden van foute antwoorden:
o   ….. Het is slecht voor het milieu ….. (fout want bijna alles is slecht voor het milieu)
o   ….. om te beschermen ….. (fout want bescherming waartegen???)
 Lees je antwoord voor jezelf door. Snap je het zelf al niet meer, dan is het zeker en vast krom Nederlands.
 Doe nooit teveel; als er één reden gevraagd wordt, noem er dan geen twee. Als de eerste fout is en de tweede goed, is het hele antwoord fout!
 

 4  Rekenvragen:
 Geef bij de uitkomst altijd een volledige berekening, ook als het niet gevraagd wordt.
 De berekening moet te volgen zijn. Bijvoorbeeld: 45% X 12345 = 5555,25
 En wanneer er afgerond moet worden: 5555
 Zet achter je uitkomst ook de eenheid, bijvoorbeeld 5555 appels of 5555 koeien, dat voorkomt onduidelijkheden.
 
 5  Vragen over afbeeldingen:
 Voorbeelden van een afbeelding: een grafieken, een tabel, een stamboom, een kringloop, een bloedsomloop, een orgaan, een stofwisselingsproces, een
 Lees de bijschriften of legenda bij de afbeelding goed.
 Probeer de afbeelding te begrijpen door dingen uit het bijschrift in de afbeelding te herkennen.
 Lees bepaalde waarden nauwkeurig af.
 Let op de richting van bepaalde pijlen als die er staan.
 Kijk naar hoe de assen zijn ingedeeld.
 
 6  Vragen waarbij je zelf een grafiek of tabel moet maken:
 Lees goed welke grafiek je moet maken: Staafdiagram? Taartdiagram? Lijndiagram?
 Bedenk van te voren hoe je de grafiek wilt maken.
 Probeer eerst een schets op een kladblaadje.
  Maak je echte grafiek super netjes. Gebruik een scherp potlood.
  Denk aan de indeling van de assen. De tijd wordt altijd op de horizontale as gezet.
  Vermeld de grootheden bij de assen (bijvoorbeeld: leeftijd, lengte, temperatuur, etc.)
  Vermeld ook de eenheden (bijvoorbeeld: jaren, centimeters, graden Celsius, etc.)
  Zet de meetpunten in de grafiek en verbind deze met de hand, niet met een lineaal. Trek dus een vloeiende lijn.
  Teken de lijn nooit verder door, niet verder naar links en niet verder naar rechts.
  In het voorbeeld is er een meetpunt bij de 0 op tijd-as maar soms ook niet. Denk hier aan.

http://www.zootrack.nl/vaardigheden%20grafiek.gif
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 7  Vragen over een werkplan:
  Bedenk dat bij een proef er maar één factor mag verschillen waartussen vergeleken wordt.
  Gebruik voldoende organismen om mee te testen. Twee mensen of dieren met elkaar vergelijken is geen onderzoek maar een circuskunstje. Voldoende exemplaren gebruiken dus.
  Bedenk wat je precies met elkaar wilt gaan vergelijken.
  Heb je gedacht aan een controleproef?
  Wat zijn de resultaten? Kloppen ze met de hypothese?
  Vergeet niet bij de antwoorden op te schrijven dat er na het onderzoek gekeken wordt of …….  (afhankelijk van de proef).
  Als er naar een hypothese gevraagd wordt, moet je niet een verklaring gaan opschrijven.
  Een hypothese heeft altijd te maken met de probleemstelling.
  Een hypothese begint altijd met : “Ik denk dat ….”
Voor het maken van een werkplan krijg je meestal meerdere punten toegekend.
 
 
 8  Meerkeuzevragen maken:
  Heel wat jaren geleden bestond een biologie examen (bijna) helemaal uit meerkeuze vragen. Dat is niet meer zo, het is nu ongeveer 30% meerkeuzevragen en 70% open vragen.
  Voor een aantal leerlingen is dat fijn, maar voor sommigen een ramp. Toch is dat niet nodig. Het goede antwoord staat voor je neus, je moet alleen zien uit te vinden welk antwoord dat is. Daar zit 'm nou het probleem: je kunt maar moeilijk kiezen.
  Het is natuurlijk geen probleem als de vraag gewoon weet. Ga niet twijfelen. Te vaak krijg ik antwoorden met dat het goede antwoord weer is doorgestreept en vervangen voor een fout antwoord. Verbeter alleen als je zeker weet dat jouw eerste antwoord fout was, meestal is de eerste keuze de juiste.
  Mocht je het antwoord niet meteen weten, bedek dan de antwoorden en bedenk zelf eerst het goede antwoord. Kijk of jouw antwoord er tussen staat. Kijk welk antwoord volgens jou echt niet goed is. Er is er altijd wel 1 die (te) ver gezocht is.
  Bij meerkeuzevragen is altijd maar één antwoord juist, tenzij het in de vraag staat. Kies voor 1 antwoord. Als je twee letters opschrijft is het antwoord in elk geval fout, ook al schrijf je het juiste antwoord op.
  Schrijf alleen de letter op die bij het juiste antwoord hoort.
  Kijk na afloop de antwoorden nog eens door, wellicht is er verderop in de toets een vraag geweest die je geheugen een beetje heeft geholpen waardoor je het antwoord nu wel zeker weet! Soms staat er ook informatie bij andere vragen.
  Laat je bij een rijtje meerkeuzevragen niet beïnvloeden door het aantal maal dat een bepaalde letter voorkomt. Het kan best zo zijn dat je vier keer hetzelfde antwoord moet geven.
  Schrijf hoofdletters! Een kleine letter a met een iets te lang streepje wordt eenvoudig aangezien voor een kleine letter d. Wen je aan hoofdletters te gebruiken, die lijken minder snel op elkaar.
 

 9  Leesbaarheid:
  Schrijf duidelijk. Als het niet te lezen is, is het antwoord fout.
 
 10  Algemene zaken:
  Gebruik de tijd en raffel hem niet af.
  Laat vragen open als je het antwoord niet direct weet. Zet in de kantlijn een sterretje of iets dergelijks. Dat zie je aan het eind wat je nog moet doen.
  Controleer je antwoorden aan het einde.
  Heb je bij alle vragen iets opgeschreven?
  Staat er bij alle meerkeuzevragen een letter? Vraag open gelaten? Dan altijd gokken! Vul altijd een letter in.
  Lever alles netjes in. Nummer eventueel de verschillende antwoordbladen.
  Staat je naam op alle losse antwoordvellen?
zootrack © 2015