O E F E N T O E T S      P L A N T   E N   D I E R    E N   H U N   O M G E V I N G   T O E T S  1
 
Meerkeuze-vragen om te oefenen.
Niveau: 4 mavo (vmbo tl)
successie bij een plas

Klik voor het juiste antwoord in ťťn van de hokjes. Er zijn 25 vragen; je kunt 25 punten halen.
Als je achteraf de antwoorden per vraag wilt checken, is het handig ze ook ergens op te schrijven.
Ook heb je van je docent een wachtwoord nodig.

1
Het voedsel bepaalt of een dier een alleseter, een planteneter of een vleeseter is.
 
Welke van deze groepen behoren toe tot de groep van de consumenten?
 
  Alleen de alleseters en de planteneters.
  Alleen de alleseters en de vleeseters.
  Alleen de planteneters en de vleeseters.
  De alleseters, de planteneters en de vleeseters.
 
 
2
Organismen kunnen ook worden ingedeeld in andere categorieŽn. Zo zijn bepaalde organismen autotroof en andere heterotroof te noemen.
 
Welke groepen van organismen kunnen thuishoren in de categorie heterotroof?
 
  Alleen consumenten en producenten.
  Alleen consumenten en reducenten.
  Alleen producenten en reducenten.
  Producenten, consumenten en reducenten.
 
 
3
In een stuk bos komen veel bodembacteriŽn voor. Deze hebben bij de kringloop van stoffen een speciale taak.
 
Deze bodembacteriŽn ... 
 
  leggen energie uit zonlicht vast in energierijke stoffen die door planten worden opgenomen.
  maken uit dode resten van planten en dieren energierijke stoffen die door planten worden opgenomen.
  staan aan het begin van alle voedselketens en dienen als voedsel voor eencellige planten en dieren.
  zetten energierijke stoffen om in voedingszouten die weer door planten worden opgenomen.
 
 
4
In de stikstofkringloop is een belangrijke rol weggelegd voor allerlei bacteriŽn. Deze maken een stof die als bouwstof voor plantaardige eiwitten dient.
 
Welke stof is dit en uit welke andere stof kunnen bacteriŽn dit rechtstreeks maken?
 
  Glucose, bacteriŽn maken dit uit plantaardige organische stoffen.
  Koolstof, bacteriŽn maken dit uit dierlijke organische stoffen.
  Nitraat, bacteriŽn maken dit uit dierlijke eiwitten.
  Nitraat, bacteriŽn maken dit uit ammonium en stikstofgas.
 
 
5
Bepaalde planten bloeien vroeg in het voorjaar omdat ze dan in een bos nog geen last hebben van de bladeren van bomen die alle licht wegnemen.
 
Over welk type planten gaat deze informatie?
 
  Over landplanten in een vochtig milieu.
  Over landplanten met kleine, dikke bladeren.
  Over schaduwplanten.
  Over zonplanten.
 
 
6
Piet en Frank vergelijken de lichamen van planteneters die in kuddes leven met die van waterzoogdieren.
Piet zegt dat het lichaam van een planteneter beter gestroomlijnd is dan dat van een waterzoogdier.
Frank zegt dat het lichaam van een waterzoogdier niet goed is aangepast om het gewicht te dragen.
 
Wie heeft of hebben er gelijk?
 
  Alleen Frank heeft gelijk.
  Alleen Piet heeft gelijk.
  Piet en Frank hebben allebei gelijk.
  Piet en Frank hebben geen van beiden gelijk.
 
 
7
Een egel heeft ondanks zijn kleine leefgebied rekening te houden met allerlei biotische en abiotische factoren.
 
Hieronder wordt een aantal van dergelijke factoren genoemd:
(1)    de aanwezigheid van bacteriŽn
(2)    licht
(3)    de neerslag
(4)    een overstroming
(5)    een prooidier
(6)    een roofdier
(7)    een soortgenoot
(8)    de temperatuur
 
Welke van deze factoren zijn abiotische factoren?
 
  (1), (2), (3) en (8)
  (1), (5), (6) en (7)
  (2), (3), (4) en (8)
  (4), (5), (6) en (7)
 
 
8
Twee beweringen over het milieu zijn:
(1)    Onder het milieu wordt de leefomgeving van een organisme verstaan.
(2)    Alleen in natuurgebieden is er sprake van een milieu.
 
Welke van deze beweringen is of zijn juist?
 
  Geen van beide beweringen.
  Alleen bewering (1).
  Alleen bewering (2).
  Beide beweringen zijn juist.
 
 
9
Twee leerlingen doen een uitspraak over een ecosysteem.
Ruben zegt: 'Een ecosysteem is een bepaald gebied waarin de biotische en abiotische factoren met elkaar in evenwicht zijn.'
Robert zegt: 'Een ecosysteem is een groep organismen van dezelfde soort, die zich onderling voortplanten.'
 
Wie heeft gelijk?
 
  Alleen Ruben heeft gelijk.
  Alleen Robert heeft gelijk.
  Ruben en Robert hebben allebei gelijk.
  Ruben en Robert hebben geen van beiden gelijk.
 
 
10
Bevat een pioniersvegetatie veel of weinig soorten? En een climaxvegetatie?
 
  Ze hebben allebei weinig soorten.
  Een pioniersvegetatie heeft weinig soorten. Een climaxvegetatie heeft veel soorten.
  Een pioniersvegetatie heeft veel soorten. Een climaxvegetatie heeft weinig soorten.
  Ze hebben allebei veel soorten.
 
 
11
Waar bestaat de grootste natuurlijke vegetatie van Nederland uit?
 
  Uit duinen.
  Uit heide.
  Uit loofbossen.
  Uit naaldbossen.
 
 
12
In een sloot komen de volgende soorten organismen voor:
1    algen
2    baars
3    snoek
4    stekelbaars
5    watervlo
Alle dieren hebben een voedselrelatie met elkaar en kunnen in een voedselketen opgeschreven worden.
Hoe ziet deze voedselketen er uit?
 
  1 → 2 → 4 → 5 → 3
  1 → 5 → 4 → 2 → 3
  5 → 1 → 3 → 4 → 2
  5 → 4 → 2 → 3 → 1
 
 
13
Vier beweringen over fotosynthese zijn:
(1)    Voor fotosynthese is onder andere water en zuurstof nodig.
(2)    Glucose levert de energie voor fotosynthese.
(3)    Bij fotosynthese ontstaan alleen organische stoffen.
(4)    In eencellige wieren (algen) kan fotosynthese plaatsvinden.
 
Welke bewering is juist?
  Bewering (1).
  Bewering (2).
  Bewering (3).
  Bewering (4).
 
 
14
Op de witte stam van een berk groeien algen. Bij de berk liggen allerlei blaadjes waartussen kleine vliegenzwammen groeien, zie de afbeelding hiernaast. Aan de onderkant van de bladeren die nog aan de boom hangen, zitten enkele bladluizen die weer opgegeten worden door een paar lieveheersbeestjes.
 
Welke van de genoemde organismen behoren toe tot de groep van de reducenten?
 
  De algen.
  De bladluizen.
  De lieveheersbeestjes.
  De paddenstoelen.
 
 
15
Bepaalde plantensoorten zijn in het bezit van een groot en vertakt wortelstelsel. Verder hebben de bladeren een dikke waslaag en bevinden zich alleen huidmondjes aan de onderkant van de bladeren.
 
Bij wat voor soort planten kun je dit verwachten?
 
  Bij landplanten in de vochtig milieu.
  Bij landplanten in een droog milieu.
  Bij waterplanten.
  Bij woestijnplanten.
 
 
16
In en op de bodem van een bos ontstaat humus. Humus is een soort van strooisellaag die erg voedselrijk en vruchtbaar is. Humus wordt gevormd door de rotting van plantaardig en dierlijk materiaal. Op en in de bosbodem komen zowel consumenten, producenten als reducenten voor.
 
Welke van deze groepen organismen dragen bij tot de vorming van humus?
 
  Alleen consumenten en producenten.
  Alleen consumenten en reducenten.
  Alleen producenten en reducenten.
  Consumenten, producenten en reducenten.
 
 
17
In de ecologie spreekt met van verschillende niveaus. 
 
Wat is de volgorde van deze niveaus van groot naar klein niveau?
 
  levensgemeenschap → populatie → ecosysteem → individu
  levensgemeenschap → ecosysteem  → individu → populatie
  ecosysteem → populatie → levensgemeenschap → individu
  ecosysteem → levensgemeenschap → populatie → individu
 
 
18
Een bepaalde voedselpiramide bestaat uit vier schakels:
(1) allerlei kleine plantjes
(2) kleine ongewervelde planteneters zoals insecten, wormen en slakken
(3) insectenetende kleine vogels zoals mussen, koolmeesjes en merels
(4) roofvogel zoals een buizerd
 
In welk van deze schakels is de hoeveelheid energierijke stoffen het grootst? Welke reden is hiervoor te geven?
 
  In (1). Het totale gewicht van al deze individuen in deze schakel samen is hier het grootst.
  In (1). In deze schakel worden de meeste afvalstoffen geproduceerd.
  In (4). Alle voedsel komt uiteindelijk bij dier terecht dat zich het hoogst in de piramide bevindt.
  In (4). In deze schakel bevinden zich de minste organismen.
 
 
19
Hoe wordt de meest gunstige temperatuur voor een organisme in een bepaald milieu genoemd?
 
  De gemiddelde temperatuur.
  De maximumtemperatuur.
  De milieutemperatuur.
  De optimumtemperatuur.
 
 
20
In een bos leven allerlei verschillende soorten organismen. Hoe wordt een dergelijke verzameling van deze organismen genoemd?
 
  Een biotoop.
  Een ecosysteem.
  Een levensgemeenschap.
  Een populatie.
 
 
21
Successie in een duingebied start met de begroeiing van ...
 
  ... duinbomen zoals berken, wilgen en vlierstruiken.
  ... duindoornstruiken.
  ... grassen zoals biestarwegras en helm.
  ... kruidachtige planten.
 
 
22
Producenten, consumenten en reducenten zijn groepen organismen die deel uit maken van de kringloop van stoffen.
 
Welke van deze groepen nemen organische stoffen als voedsel uit hun milieu op?
 
  Alleen consumenten.
  Alleen consumenten en producenten.
  Alleen consumenten en reducenten.
  Producenten, consumenten en reducenten.
 
 
23
Welke van de volgende groepen organismen is een voorbeeld van een populatie?
 
  Alle bloempjes en de bijtjes in een weiland.
  Alle planten in een bepaald duingebied.
  Alle vogels in een bos.
  Een kudde schapen in een weiland.
 
 
24
Als de mens niets doet, vindt er in een plas verlanding plaats. Bij de successie in een plas groeien na elkaar verschillende soorten planten, zie de afbeelding hiernaast. 
 
Wat is de juiste volgorde hierbij?
 
  moerasplanten → waterplanten → oeverplanten → bos
  oeverplanten → waterplanten → moerasplanten → bos
  waterplanten → moerasplanten → oeverplanten → bos
  waterplanten → oeverplanten → moerasplanten → bos
 
 
25
Dieren moeten zich steeds beter aanpassen naarmate de milieutemperatuur lager wordt. Er zijn actieve dieren met een wisselende en actieve dieren met een constante lichaamstemperatuur.
 
Welke dieren kunnen actief zijn bij een lage milieutemperatuur? Welke uitleg is hiervoor te geven?
 
  Dieren met een constante lichaamstemperatuur. Bij deze dieren kunnen hun enzymen de processen in de cellen blijven regelen.
  Dieren met een constante lichaamstemperatuur. Deze dieren hebben minder energie nodig om hun lichaamstemperatuur op peil te houden.
  Dieren met een wisselende lichaamstemperatuur. Deze dieren hebben minder energie nodig om hun lichaamstemperatuur op peil te houden.
  Dieren met een wisselende lichaamstemperatuur. Deze dieren zijn in staat zijn om met minder activiteit in leven te blijven.
 

 


Je hebt punten gehaald.
Je score is:

| Begin pagina | Antwoorden |